Het pad van de terugkeer

In zijn boek The Jesuit Guide to (almost) everything. A Spirituality for Real Life (De Jezuïetengids voor (bijna) alles. Een spiritualiteit voor het echte leven) vertelt de schrijver James Martin SJ over de zes meest voorkomende wegen waarop hedendaagse Godzoekers zich kunnen bevinden. Alle door hem beschreven wegen zijn de moeite van het bespreken waard en misschien ga ik dat ook wel doen, maar ik heb besloten te beginnen met wat Martin de derde weg noemt, namelijk de ‘weg van de terugkeer’. Misschien wel omdat, zoals ook Martin zegt, steeds meer mensen zich op dit moment op die weg bevinden. Het gaat om de mensen die met het christelijke geloof zijn opgegroeid, die verplicht of vrijwillig meegingen naar de kerk, maar er toen ze ouder werden mee zijn gestopt. Het begon hen te vervelen of ze vonden er niet wat ze nodig hadden of ze waren hard tegen de grenzen van de christelijke geloofstraditie op gelopen en vonden het wel welletjes.

Echter op enig moment beginnen de vragen van geloof en zingeving weer terug te komen. Dat kan gebeuren wanneer ze zich realiseren dat ze alles goed voor elkaar hebben en toch ergens in de diepte niet echt gelukkig zijn. Of het kan het gevolg zijn van een plotselinge inbreuk in het leven: ze worden ziek of een van hun ouders komt te overlijden en ze beginnen na te denken over de eindigheid van het bestaan. Of hun kinderen groeien op en beginnen vragen te stellen waar ze zo maar niet een antwoord op kunnen geven: ‘Wie heeft de aarde gemaakt, mamma?’ en ‘Pappa, waar is mijn dode konijn nu?’
In al deze gevallen kan het verlangen naar het geloof van hun jeugd weer in hen opkomen. Maar soms of vaak wordt vergeten dat er dan ook iets met dat geloof moet gebeuren. Het kindergeloof van vroeger moet plaatsmaken voor een volwassen geloof. En dat is niet altijd gemakkelijk.

James Martin vertelt hoe hij zelf het pad van de terugkeer gegaan is. Mijn kinderbeeld van God, zo schrijft hij, was dat van de Grote Probleemoplosser. In mijn kindergebeden bad ik om alles: om een goed cijfer voor mijn proefwerk, om een overwinning tijdens het hockeytoernooi en om een nieuwe fiets voor mijn verjaardag. Later begon ik in te zien dat het zo niet werkte. Hoe intensief ik ook bad, de meeste gebeden werden niet verhoord. Wat was dat eigenlijk voor een God, begon ik me af te vragen. En als Hij niet luisterde naar mijn gebeden en mijn problemen niet oploste, wat bleef dan eigenlijk over? Gaandeweg verwaterde op deze manier het jeugdige godsvertrouwen en er kwam eigenlijk niets nieuws voor in de plaats.
De grote klap kwam toen Martin aan de universiteit studeerde en zijn beste vriend Brad, met wie hij al jaren optrok, om het leven kwam door auto-ongeluk. Hij herinnert zich nog goed dat hij in de kerk zat tijdens de afscheidsdienst, samen met de intens verdrietige ouders en familie van Brad, zijn vrienden en vriendinnen en nog heel veel andere mensen, en opeens dacht: ‘In een God dit toelaat wil ik niet meer geloven’. En nog dezelfde dag verklaarde hij zich atheïst.
Hij hield dat een tijdje vol tot hij op een middag in gesprek raakte met een vriendin van zijn vriend, een gelovige jonge vrouw. De meesten vonden haar een beetje een mietje, maar zijn overleden vriend was erg op haar gesteld geweest. Ze spreken samen over Brad en ineens gooide hij het haar voor de voeten: ‘Vertel jij mij dan maar eens hoe dat zit met een God die zulke dingen toelaat?’
De vriendin had hem rustig aangekeken en gezegd: ‘Ik dank God elke dag ervoor dat ik Brad heb mogen kennen.’
Ik stond met de mond vol tanden, schrijft Martin, ik was helemaal verbouwereerd. Ze ging niet met mij in debat. Ze sprak me niet tegen. Ze liet me alleen maar eenvoudigweg zien dat er ook nog hele andere manieren zijn om God te zien dan alleen middels het beeld van de Grote Probleemoplosser. En tegelijk leerde ze me dat je geen antwoord op alle vragen hoeft te hebben om toch in relatie met God te kunnen leven. Zo’n beetje zoals kinderen doen, ze vertrouwen hun ouders zonder dat ze alles kunnen begrijpen.

Ik heb nog lang geworsteld met die vraag naar het lijden, schrijft Martin heel eerlijk. Pas heel veel later vond ik wat rust in de gedachte dat God het lijden niet wil, maar wel met ons is in het lijden. En nog steeds weet ik niet het precieze antwoord, maar ik kan er goed mee leven en ook goed mee in God geloven.
Het geloof van James Martin werd door de opgedane ervaringen realistischer, maar tegelijk ook dieper, gelaagder, spannender. En, om terug te keren naar de vraagstelling, volwassener.
Zonder zo’n ontwikkeling gaat het niet. Voor niemand. Want laat je het achterwege, dan blijf je steken in een illusionair geloof, een geloof dat vooral uit wensbeelden bestaat. Echt geloof weet dat het leven lang niet altijd gemakkelijk is, maar dat er in dat leven met alles erop en eraan een wonderlijke, troostende, krachtgevende aanwezigheid te ontdekken valt, die alle verstand te boven gaat en tegelijk het leven en alles wat daarin gebeurt draagt en kleur geeft, zin en betekenis. In de geest van Ignatius van Loyola, de stichter van de orde van Jezuïeten, heet die ontdekking: ‘God vinden in alle dingen’.

Toos Wolters

Eén reactie:

  1. Mooie afsluiting! Zo ervaar ik dat ook. God vinden in de verwondering zeg ik zelf vaak.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.