Een God die ruimte schept

Het werk was bijna klaar. Aarde en hemel, zon en maan, water en land, planten en dieren: alles was door God de schepper op zijn plaats gelegd. Toch ontbrak er nog iets. ‘En de Eeuwige sprak: Laat ons mensen maken naar ons beeld en onze gelijkenis.’ Het is alsof God in zijn hemel dacht: ‘Wat moet ik met een wereld zonder mens, een mens naar mijn beeld. Een mens die in de wereld scheppend verder gaat waar ik gebleven ben.’
En God schiep de mens, niet als zijn marionet of zijn dienaar, maar als zijn partner. Een partner met een vrije wil. Maar – zo vertelt de oude Joodse traditie van de Kabbala ons – dat betekende ook voor God zelf iets. Om de mens de kans te geven de wereld scheppend tot zijn voltooiing te brengen, moest Hij zelf als het ware een stapje opzij doen, om ruimte te maken voor zijn partner. Een partner als een ‘tegenover’, een mens met een eigen vrije wil. God trekt zich terug, verbergt zich in wolk en vuur. De mens kwam centraal te staan.
De beweging waarmee God ruimte schept voor de mens door een stap op zij te doen, zich in zekere zin te verbergen, duiden de kabbalisten aan met het Hebreeuwse woord tsimtsoen: (Gods) zelfinperking.
Deze zelfinperking van God is niet zonder risico. Met de schepping van de mens heeft God immers ook de mogelijkheid geschapen dat die het tegendeel doet van waarvoor hij geschapen is: in plaats van goed kwaad te doen. Of in de woorden waarmee de profeet Jesaja God sprekend opvoert: ‘Ik formeer het licht en schep de duisternis; Ik maak de vrede en schep het kwaad. Ik, de Eeuwige, doe al deze dingen’ (Jesaja 45:7).
Al met al is de schepping van de mens een spannend avontuur. Het kan fout lopen en goed komen. Het is maar waar de mens voor kiest. En God? Is zijn rol dan helemaal uitgespeeld?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.