Geschiedenis van het gebouw

De Johanneskerk behoort tot de laatste generatie naoorlogse kerkgebouwen in Utrecht. De kerk is in 1966 gebouwd naar een ontwerp van architect L.J. Linssen en was bestemd voor zowel de Hervormden als Gereformeerden, met elk een eigen wijkcentrum. Het kerkgebouw oogt eenvoudig en is voor buitenstaanders niet altijd herkenbaar als een kerk. Bij nadere bestudering van de kerkelijke bouwtraditie blijkt dat de Johanneskerk in opzet en architectuur exemplarisch is voor de kerkbouw in de jaren zestig.

De in aanbouw zijnde Johanneskerk te Utrecht. (bron: Het Utrechtsarchief)

Al voor de Tweede Wereldoorlog was er in de protestantse kerk een discussie ontstaan over de kerkelijke architectuur. Die discussie resulteerde in de oprichting van de Studiekring Eredienst en Kerkbouw (1941) en een Studie Commissie (1950) waarin architecten en theologen nadachten over liturgie en architectuur. In 1954 kwam de Studie Commissie met richtlijnen voor de protestantse kerkbouw, bekrachtigd door de Generale Synode. Kernbegrip was ‘ontmoeting’: in de kerk vindt de ontmoeting plaats tussen God en Zijn gemeente. Het hart van het protestantse kerkgebouw was dan ook de kerkzaal (waar de ontmoeting plaatsvond)die één ongedeelde ruimte moest zijn, het liefst in een overmaat, wat inhield dat de ruimte hoger en groter was dan functioneel nodig. Het ging immers om een ruimte die ‘boven het gewone uitsteeg’. In die ongedeelde ruimte bevond zich het liturgisch centrum, waar doop (doopvont), avondmaal (tafel) en woord (kansel) voor iedereen zichtbaar waren. Het liturgisch centrum mocht echter geen aparte ruimte vormen (bijvoorbeeld door een extra verhoging), want dan maakte het geen deel uit van die éne ongedeelde ruimte en ontkende het de ontmoeting. Het liturgisch centrum kon architectonisch wel benadrukt worden, bijvoorbeeld door een bijzonder vormgegeven achterwand. Ook belangrijk was dat de kerkgangers niet afgeleid zouden worden door direct contact met buiten: dus geen ramen tot op de grond. Maar liever ook geen dramatische lichtval of sterke licht-donker effecten, dat leidde onnodig af. Naast de richtlijnen voor de kerkruimte, was er ook aandacht voor de wijkfunctie van de kerk en de plaatsing van de bijgebouwen. Die maakten beslist geen deel uit maken van de kerkruimte, want die was bestemd voor de ontmoeting tussen God en Zijn gemeente.

Hoe zien we dit terug in de Johanneskerk? De kerkruimte is in zijn eenvoud een prachtige vertaling van die ene, ongedeelde ruimte. Vier forse kolommen staan ogenschijnlijk vrij in de ruimte, hoewel ze functioneel het dak dragen. Door de ruimtelijke plaatsing van de kolommen kaderen ze een centrale ruimte in, maar tasten de openheid van de kerkzaal zelf niet aan. Het liturgisch centrum is aangegeven met een lichtgeel tegelvlak, ter onderscheid van de rode tegelvloer van de kerkruimte. De wand achter het liturgisch centrum is licht gebogen. Met deze eenvoudige middelen (gele tegelvloer, gebogen achterwand) krijgt het liturgisch centrum een aparte plaats, maar blijft onderdeel van die ene, ongedeelde kerkruimte. De ramen zijn hoog in de zijmuren geplaatst, er is geen direct contact met buiten. Grote schalen aan de kolommen verlichten indirect de gehele kerkzaal. De wijkfuncties zijn ondergebracht in ruimten buiten de kerkzaal, hier zijn wel grote ramen die zicht geven op de ‘wereld’.

Tenslotte is er het materiaalgebruik, dat karakteristiek is voor de jaren ‘60: de baksteen is in het zicht gelaten, er zijn tegelvloeren en houten plafonds. Die eerlijkheid van materiaal is ook herkenbaar in de typische voegwerk ‘baarden’. De voeg is niet netjes gladgestreken, maar is overal zichtbaar dik aanwezig. Andere bijzonderheden zijn de losstaande klokkentoren en de ligging in de singelstructuur van Overvecht-Zuid.

Niet tot het monument behorend, maar wel bijzonder zijn het tabernakel, het kruis en het doopvont van de voormalige Emmausparochie, die een (leen) plek hebben gekregen in de kerk. Deze zijn van de Oostenrijkse kunstenaar Jos Pirkner.

Reageren is niet mogelijk