Op weg naar morgen en overmorgen en onderweg soms even thuis

Deze regel komt uit een gedicht van Margreet Spoelstra, waarin ze de Hebreeuwse letter Beth met woorden en beelden omspeelt. Deze letter, de eerste letter van het boek Genesis en dus van de hele Joodse Bijbel, heeft de vorm van een huisje dat aan drie kanten bescherming biedt, van boven, van onderen en van achteren, en open is naar voren, naar de toekomst. Het is een mooi vertroostend symbool: van God uit gezien mag je er zijn, is er plaats voor je en zonodig veilige geborgenheid.

Wat mij bezigt houdt in deze dichtregel zijn de woorden ‘soms even’. Ik vind het mooi zoals het er staat, het raakt me, zeker als je het zingt in een viering en weet dat je straks weer uiteengaat. Je kunt elkaar onder het zingen ervan aankijken en zo bij elkaar bevestigen dat het uur van samenzijn heel bijzonder is geweest. Maar gaat dat ‘thuis’ dan niet mee naar huis? De Eeuwige is toch ook daar?

Het doet me denken aan een ander ‘soms even’. Het bekende ‘zien – soms even’ van Huub Oosterhuis. In het boekje met die titel (1972)  tref ik  dit gedichtje aan:

ZIEN

Dit dat ja nee voortjagend voortgedreven
niet kunnen willen toch zo moeten leven
overal nergens niemand op het spoor.
dan jij, ik hoor je stem. Ik zie – soms even.

Kan het ene ons helpen om het andere te verstaan? Ik denk het wel.  Zeker als we het begrip bewustzijn invoeren. Want als de Eeuwige er altijd is, en was en zijn zal, zoals we geloven, ligt het ‘probleem’ niet bij Hem/Haar, maar bij ons. Wij zijn ons namelijk niet altijd van God bewust. Er is veel wat ons bezighoudt, ‘voortjagend voortgedreven’, zegt Oosterhuis. Er is veel wat onze aandacht vraagt. We kunnen gewoonweg niet altijd stilstaan bij het grote Geheim. En dat hoeft ook niet. Mensen leven nu eenmaal twee kanten op, richting horizon en richting hemel. Ze streven vooruit en ze zoeken verdieping. Ze nemen de taken van het leven naar beste kunnen op zich, doen in de buitenwereld wat hen te doen staat, én keren zich, als het goed is, van tijd tot tijd naar binnen, voor zelfreflectie, voor een innerlijke dialoog, voor gebed en stille omgang. Beide tegelijk doen is niet mogelijk. Werken en bidden zijn en blijven twee verschillende dingen. Maar er moet wel voor beide ruimte zijn, wil een mens geestelijk gezond blijven. En daar wringt vaak de schoen. Want in onze jachtige maatschappij bestaat de neiging om de inkeer maar over te slaan. Dat is jammer. Want waar haal je dan de inspiratie vandaan en de innerlijk rust en toewijding? Immers juist in de stilte kun je het waaien van de Geest bespeuren en kracht en moed en richting vinden. Juist in de stilte kun je je de altijd aanwezige verbondenheid met de Eeuwige weer te binnen brengen. En vandaaruit kun je dan hernieuwd en bezield de wereld weer tegemoet treden.

Je moet zulke momenten van bezinning bewaken, je moet ze zoeken, ze creëren. Ze komen doorgaans niet zomaar op je af. Vaak ben je op zulke momenten alleen. Ieder mens heeft als het om deze dingen gaat z’n eigen tijd en plaats. En soms ben je samen. Dat kan in een viering zijn maar ook daar buiten.

En dan ben ik weer terug bij Margreet Spoelstra en haar ‘onderweg soms even thuis’. Een moment van bewustzijn, van verbondenheid, alleen of samen, een moment van je even uitgetild voelen boven de dingen van alledag, een moment van geaard, gegrond, gesteund en gezegend zijn, een moment van toebehoren aan Eeuwigheid. Als deze kwaliteit doorklinkt in een ontmoeting, in een viering, in een vergadering misschien zelfs, in een klein gebaar van menselijkheid, een liefdevolle blik, een groet, een opgestoken hand, een onverwachte aanraking, dan wordt het leven mooi, dan krijgt het gewone leven een buitengewonde glans, dan raakt het alledaagse van het bijzondere doortrokken en is de Eeuwige in al zijn goedheid rakelings dichtbij. Waar dan ook.

Toos Wolters

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.