Van grond en vuur

 

van grond en vuur 1Van grond en vuur is het schilderij dat Ruud Bartlema maakte naar aanleiding van het gelijknamige lied van Huub Oosterhuis. Het werd voor mij gemaakt ter gelegenheid van mijn 25 jarig ambtsjubileum, als een geschenk van vele gulle gevers uit de gemeente en daarbuiten en aangeboden op Paasmorgen 2015.

Dit schitterende geschenk heeft inmiddels een prachtige plek in ons huis gekregen. Over wat het voor mij betekent, gaat de onderstaande overweging.

van grond en vuur lied

 ‘Van grond en vuur zult Gij ons maken’, met die woorden begon het avontuur van het schilderij. Ik mocht immers zelf aangeven waar het over zou moeten gaan. Ik kende de tekst van dit lied wel, maar heb het pas hier in het midden van deze gemeenschap leren zingen. En het raakte me diep. Waar zit hem dat in, vroeg ik me af. In de hoopvolle toon en de visionaire kracht? Dat in ieder geval. En het raakt aan de essentie van mijn geloof. Dat het zó toch gaan mag, zó toch worden mag! De schepping opnieuw: ‘Van grond en vuur, van aarde én van Geest, die twee samen, zult Gij ons maken!’

Niet die oude mens, die het maar steeds niet voor elkaar krijgt, die blijft struikelen en vallen, die het eigenbelang en de hebzucht maar niet te boven komt, die ruzie maakt en oorlog, die verdeelt en heerst, die ook in mij zit. Die oude mens met al z’n angsten en frustraties, met heel zijn onvermogen. Nee, die niet langer. Die nieuwe mens, ja die, zo frank en vrij, hoog op rotsen aan levend water, van geur en smaak, van licht en stem, uw evenbeeld! Zoals het door de Schepper bedoeld is geweest vanaf den beginne. ‘En God schiep de mens naar zijn beeld en gelijkenis, mannelijk en vrouwelijk schiep hij hen.’

van grond en vuur 2Maar als dat dat eenmaal gezegd is, jubelend uitgezongen – want dit lied is welbeschouwd een paaslied ten top – dan keert de tekst genadevol terug naar de mensen in duisternis, naar die oude, struikelende mens en het lijden dat daarvan het gevolg is.

En die beweging terug is goed en nodig. Want we zouden in die hoge vlucht van ons verlangen en ons visioen, het gevaar kunnen lopen aan het lijden voorbij te gaan. We zouden ons al ergens in de hemelse gewesten kunnen bevinden, weg uit reële wereld, terwijl er nog zoveel geleden wordt. Mensen die gaan in het duister, mensen dichtbij, mensen ver weg, die jonge mensen daar aan de universiteit in Kenia, koelbloedig vermoord, en wat zijn het voor mensen die dat doen, gekwelde zielen, getroebleerde geesten – wat een wereld toch! Volk dat in duisternis gaat, mensen met stomheid geslagen. Oosterhuis, en ik weet zeker ook Ruud Bartlema, hebben daarbij ook gedacht ook het Godsvolk van oudsher, het Joodse volk, altijd weer en nu nog steeds gemaakt tot zondebok van de geschiedenis, en we weten waartoe dat leiden kan. Volk dat in duisternis gaat.

Geen nieuwe mens voordat de pijn van het oude doorvoeld is, geleden, uit-geleden. Zoals Jezus, aan het einde van zijn weg, van God en mens verlaten, de weg ten einde toe gegaan, ten einde toe volbracht.

Want dat kan het risico zijn van Pasen vieren. Dat het te snel gaat, dat je niet mee komt, dat je er wel bij zit, maar het eigenlijk niet kunt vatten, omdat de pijn die je met je mee draagt nog steeds te groot is, omdat je, in een setting als deze, verondersteld wordt blij te zijn, maar dat niet kunt.

Wie naar passiemuziek heeft geluisterd in de afgelopen dagen, de Matteuspassion van Bach, het Stabat Mater van Pergolesi, weet hoe diep het gaat. De pijn van de Pietà, van de moeder met haar dode kind, Maria met haar dode zoon. Woordeloos verdriet. En laat niemand haar goedkope troost bieden. Pas als het gezien, erkend, doorleefd is, pas dan. Pas na de bijbelse drie dagen, die ook drie jaar of dertig jaar of nog meer kunnen zijn, pas als alles is gedaan, als alles is geleden, pas als de vrouwen het kunnen opbrengen om naar het graf te gaan, pas als de leegte onder ogen is gezien, pas als de Emmaüsgangers naar huis terug keren, in het volle besef dat wat geweest is nu echt voorgoed voorbij is. Pas als de overgave daar is.

Pas dan. Maar dán ook: ‘Het zal geschieden’, zegt Hij’. ‘Het zal geschieden’, dat is bijbelse taal voor een ingrijpen van Hogerhand. Het komt in de diepte niet vanuit onszelf, het komt naar ons toe: een stem die roept uit de leegte van het graf, hij is hier niet, hij leeft. En, zoals we zongen over de Emmaüsgangers: ‘één die met ons meeloopt, zeven dagen lang, die weet wat in ons is, aan twijfel, angst, onzekerheid, die met ons deelt, het brood op onze tafel, die ons aansteekt lichterlaaie’.

van grond en vuur 3

‘Het zal geschieden zegt Hij, dat zij weer glanzen als nieuw. Van grond en vuur, van licht en stem, zult Gij ons maken.’ Ons, niet de een of andere ander, nee, ons! U, mij, jou. De nieuwe mens staat op in ons. Dát dacht ik, dát zag ik, toen ik op een vroege ochtend al mijmerend voor dit voor dit schilderij zat. Het zou zomaar ‘de opstanding ( of misschien wel ‘de geboorte’, want is dat niet hetzelfde, ‘opstanding’, ‘geboorte’, ‘wedergeboorte’) van de nieuwe mens’ kunnen heten. Geestkracht, scheppingskracht, vuur van God, licht, aarde, water, mensen en heel veel beweging, wind, ‘broeder wind’, zo zongen wij in de paasnacht.
Uit Gods hand komen zij voort: mannelijkvrouwelijk. Om nog een ander lied uit de Paasnacht erbij te betrekken:

Vol is de aarde, vol de tijd,
mens is tot mens gekomen,
is man en vrouw, is vruchtbaarheid,
mag van de toekomst dromen.

En Oosterhuis: ‘Niet meer beklemd en verdeeld’. Kent u dat, je beklemd voelen en in je zelf verdeeld. Ik wel. Niet mogen zeggen wat je denkt, bijvoorbeeld, maar dat altijd maar voorzichtig moeten inpakken: het lot van veel predikanten in een tijd waarin de leerstelligheid hoogtij vierde. Wat een vreugde, dat dat niet meer hoeft! Het is voorsmaak van wat komen gaat – dat wij vrije mensen zullen zijn, ‘één en gekend en bevrijd, eindelijk mens zal ik zijn!’

Zo mooi geschilderd, Ruud, die twee mensen. Ik voelde me betrapt toen ik het voor het eerst zag. Laat ik nou bij dit lied altijd het beeld van één mens voor ogen hebben gehad. Eén allenig. Alsof je het altijd maar op je eentje moet doen. Nu, zo heeft de Schepper het niet bedoeld. Het zijn er twee: man en vrouw, het is: gemeenschap van mensen en mensen, en daarvan deel mogen uitmaken. Nieuwe mensengemeenschap, gemeente, ecclesia, geroepenen, bijeen-geroepenen.

van grond en vuur 4En in dat alles licht Gods nieuwe wereld op. Gouden koepels van het nieuwe Jeruzalem, de stoel van het recht, de tafel der armen, de dag van het lam. ‘Wanneer komt die dag?’ vroeg ik aan Ruud Bartlema, toen hij het schilderij kwam brengen. ‘Misschien is het er al’, was zijn antwoord. En zo heeft hij het ook geschilderd: als die andere, nieuwe wereld, die we nu al kunnen zien als we ons niet laten verblinden door wat zich allemaal maar steeds weer op de voorgrond probeert te dringen. Als we verder kijken en dieper kijken. Gods wereld als zijnde present, hier en nu op zoveel plaatsen waar mensen elkaar goed doen, waar mensen God doen, waar mensen voor elkaar evenbeeld van hun Schepper zijn.

Die nieuwe mens die opstaat uit het graf, het is een mens met kwaliteiten van God zelf, geheeld, genezen en in staat van liefde.

Door de diepte van de dood heengegaan, door leegte en chaos, opgestaan tot een nieuw leven. Een van God gegeven nieuw begin.

Dat is Pasen!

Toos Woltersdswolters

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.