
Op zondag 2 november stonden we in de Johannescentrumgemeente stil bij dierbare gemeenteleden die ons dit jaar ontvielen. Hieronder volgt de tekst van de overweging voor iedereen die deze nog eens wil nalezen of nieuw tot zich wil nemen.
Lieve mensen, gemeente van Jezus,
De grootste, meest onontkoombare vraag van je leven is misschien wel: wat gebeurt er met mij na de dood? Deze vraag zet alles in een ander perspectief. Zelfs de meest succesvolle zakenman, zelfs de machtigste koning zal er ooit aan moeten geloven. Al proberen ze dat moment doorgaans zo lang mogelijk uit te stellen: ik herinner me het per ongeluk opgenomen gesprek tussen de Chinese president Xi Jinping en Vladimir Poetin tijdens de grote parade in China, enkele maanden geleden. Ze mijmerden wat over de menselijke levensduur: Xi verwachtte dat nog deze eeuw mensen 150 jaar konden worden, mede dankzij voortdurende transplantatie van organen. Poetin meende zelfs dat mensen op den duur onsterfelijk kunnen worden. Daarbij hebben ze het natuurlijk vooral over zichzelf, namelijk over hun eigen angst om te sterven en hun macht op te moeten geven.
Je ziet, het houdt iedereen bezig. En niemand weet hoe het zal zijn, straks. Leef ik dan voort zoals altijd? Zie ik mijn geliefden weer? De kerk dacht het lang te weten, en heeft daarmee vele mensen een angstige dood in gejaagd. Bang om te sterven, waren ze ook bang om te leven. Hoe je over de dood denkt, heeft namelijk invloed op hoe je leeft. Ik las dit weekend in de krant over de ongekroonde fatbikekoning van Nederland, Armando Muis (De Volkskrant, 30 oktober 2025).Hij is lange tijd een Jehovah’s getuige geweest. Maar op een gegeven moment nam hij afstand van die gemeenschap. ‘Dan maar geen eeuwig leven, maar een leven waar ik voor kies,’dacht hij. De breuk met zijn familie die daarop volgde, heeft hem niet onberoerd gelaten. Hij vertelt er zelf over: ‘Ik geef me niet zomaar meer. Ik leef erg voor mezelf.’ Het eeuwig leven liet hij aan zich voorbij gaan, en nu moet hij er wat van maken. Succesvol zijn. Leven als een fatbike op de turbostand.
Ik ga hier niet voorschrijven hoe jij moet leven. Ik ga ook niet voorspiegelen hoe het leven na de dood eruit ziet, want dat weet ik net zo min als jij. Wat ik wel ga proberen is een paarwoorden te geven aan het mysterie van leven en dood, dat uiterste vraagteken dat ons leven altijd blijft bepalen, totdat we er niet meer zijn. Want ik wil zoeken naar een taal, die dit soort vragen aankan. Dat is nodig. De een heeft net een geliefde verloren. De ander leeft dagelijks met de dood. Weer een ander is permanent op de vlucht voor de dood. Maar uiteindelijk kan niemand eraan voorbij.
Laten we te rade gaan bij een sinds eeuwen beproefde tekst, de Openbaring aan Johannes. Dat lijkt misschien niet te passen, omdat Johannes in dit visioen precies lijkt te weten hoe het eruit zal zien, straks, in de hemel. Maar dan mis je veel: Openbaring biedt immers geen spoorboekje voor de eindtijd.Het is een boek van iemand die worstelt met de verdrukkingen van zijn eigen tijd – hij was tenslotte zelf een vervolgde in ballingschap op een eiland, Patmos – en hij vindt daar een taal voor. Openbaring is een verzetsboek en een troostboek, in één.Met een rijke maar ook onbegrijpelijke beeldtaal herinnert Johannes mensen eraan, dat ondanks alles niet de Romeinse keizer, maar God op de troon zit. In alles ben je afhankelijk van God. En dat schept vrijheid, want je bent niet meer afhankelijk van de razende machten om je heen.
Eigenlijk zou je jezelf eens moeten onderdompelen in de taal van Openbaring. Zie je die onafzienbare menigte, met palmtakken in hun hand? Zie je hun witte gewaden, zie de engelen, zie je de troon? Zie je hoe inclusief deze menigte is,met mensen uit alle landen en volken, van elke stam en taal? Zie je hoeveel verschillende mensen zijn uitgenodigd voor dit feest? Merk je hoe uitzinnig van vreugde ze zijn? En wat voel je dan?
Het is net theater, zo’n stuk waarin je jezelf helemaal verliest.Totdat plotseling iemand uit het stuk komt lopen, een van de oudsten, staat er. Hij loopt zo van het podium af, breekt zo de bekende ‘vierde muur’ tussen acteurs en publiek, en spreekt jou aan. ‘Wie zijn dat daar in het wit,’ vraagt hij, ‘en waar komen ze vandaan?’
Ja, wie zijn dat? En, misschien nog wel belangrijker, wat hebben ze met ons te maken? Ten eerste is deze menigte een collectief. En ten tweede zijn zij afhankelijk van God. Terwijl wij vooral zitten met vragen over individueel voortleven,dompelt dit visioen ons onder in een inclusieve menigte, een stoet ‘zonder einde en getal. Tel maar de sterren’ (uit het lied Hoe ver te gaan?, Zangen van Zoeken en Zien 34, in de viering gezongen). Het is een stoet zo talrijk, als de nakomelingen die God aan Abram beloofd had, zo talrijk als de sterren die aan de hemel staan. Het is een stoet zoals die uit Egypte vertrok, toen God zijn volk uítleidde uit het land van de angst. Bij dag was hij bij hen in een wolkkolom, bij nacht in een vuurkolom. Dit is een stoet van mensen, die grote verdrukkingen hebben meegemaakt. Dit zijn de mensen die nameloos gestorven zijn. Dit zijn de mensen die in Gaza van de honger gestorven zijn. Dit zijn de vrouwen die door femicide om het leven gekomen zijn. Dit zijn mensen, die door Gods liefde samengebracht zijn. Deze mensen ‘hebben hun kleren witgewassen met het bloed van het lam’ (Op. 7:14): dat wil zeggen, ze zijn ondergedompeld in het leven van Jezus, want bloed staat in de Bijbelse denkwijze altijd voor leven. Dit zijn de mensen bij wie God wilde wonen. En deze menigte, deze stoet van bevrijding, trekt door de geschiedenis, dwars door elke verdrukking, elke vorm van onrecht, dwars door leven en dood heen.
Dit visioen ontstijgt ons individuele leven en voortleven: het zet ons in een groter geheel. Het geheel van Gods liefde. Dat grotere geheel is wat ik vaak mis in discussies over al dan niet voortleven na de dood. Het gaat er niet om dat ik mijzelf en mijn eigen hachje weet te redden, omdat ik mezelf zo belangrijk vind dat ik geen wereld zonder mijzelf kan voorstellen. Die wereld gaat wel door. En God gaat ook wel door. Het gaat uiteindelijk niet om mij, maar om God. Ook in de dood. Ik wens niets anders, dan om na mijn dood in God te verdwijnen. De Duitse mysticus Gerhard Tersteegenverwoordt deze wens beter dan ik ooit zou kunnen (uit ‘Geestelijk bloementuintje’, 1729, in de vertaling van Jan Willem Schulte Nordholt die als lied 906 in het Nieuwe Liedboek is opgenomen):
adem van ons aardse leven,
oeverloze diepte, wonderlijkste wonder,
zee ik ga in u ten onder.
Ik in U, laat mij nu
vallen in den blinde,
U slechts zien en vinden.
Dit is geen verlangen naar de dood. Dit is verlangen naar God.Zo bezien, is de dood geen bedreiging van ons individuelegedoe, geen vraag waar je wanhopig een antwoord op moet formuleren, maar een overgave aan God en aan zijn liefde.Zonder antwoord, zonder waarom. Liefde sterk als de dood.
Tot slot, over tranen. Want zo eindigt het tekstgedeelte: ‘En God zal alle tranen uit hun ogen wissen’ (Op. 7:17). Het is het ultieme beeld van troost: God als moeder die haar kind op schoot neemt, en de tranen droogt. Dat betekent niet dat de tranen er niet mogen zijn, dat je moet vechten tegen de tranen.Het betekent niet dat je niet verdrietig mag zijn. Dat is immers geen troost, dat is je verdriet onderdrukken. Dat hoeft niet. Het beroemde middeleeuwse gedicht Stabat mater gaat over Maria die wenend bij het kruis stond. Ze huilt om haar vermoorde zoon. In haar tranen zit een stil verzet tegen dit onrecht. In haar tranen wordt een nieuwe, rechtvaardige wereld zichtbaar.Het gedicht beschrijft de kracht van verdriet:
Ach moeder, bron van liefde,
laat mij de kracht van het verdriet voelen
opdat ik met u treuren kan.
Tranen mogen stromen, tintelen, stralen. Ze komen voort uit de ‘waterbronnen van het leven’ (Op. 7:17) en leiden ons ernaartoe. Ze zullen stromen, tot er een rechtvaardige wereld is waar niet de dood heerst. Dan, bij die waterbronnengekomen, zullen tranen niet meer nodig zijn. Dit is een visioen, waarin we ondergedompeld worden door het Woord, maar ook door de doop en door de maaltijd die we later in deze viering gaan vieren. Zonder te weten hoe of wat of waarom, zonder vaststaande antwoorden, kunnen we ons vastklampen aan deze beweging van liefde, die leven en sterven omvat, en er een thuis in vinden.
Moge dat zo zijn.